Gideonline
College erkent alsnog vragenrecht raad

De Gemeentewet verplicht het college periodiek onderzoek te doen naar het eigen gevoerde bestuur. Dat het college niet altijd even blij is met de uitkomst van zo’n onderzoek, bleek uit de beantwoording van het college op vragen van het CDA naar aanleiding van hun onderzoek naar de afvalstoffenheffing.

Uit de beantwoording bleek dat er niet één, maar twee onderzoeken waren uitgevoerd. Het eerste onderzoeksrapport was echter in de prullenmand beland, omdat het ‘de gestelde vragen niet beantwoordde’. Bovendien werd vermeld dat het eerste onderzoekrapport ‘formeel niet bestond’ en daarom niet aan de raad beschikbaar kon worden gesteld. Het tweede onderzoeksrapport werd wel naar de raad gestuurd.


Blijkbaar bestaan er twee werkelijkheden, aldus het college: de formele en de informele werkelijkheid. Om het formeel te houden besloot ik om het eerste onderzoeksrapport op te vragen met een beroep op het ‘recht om informatie’ dat de raad op grond van artikel 169 lid 3 van de Gemeentewet ter beschikking staat. Op grond van dit recht moet het college alle inlichtingen verschaffen aan de raad, tenzij het verstrekken daarvan in strijd is met het openbaar belang. In de praktijk betekent dit dat alle informatie waar een raadslid om vraagt, beschikbaar moet worden gesteld (eventueel onder geheimhouding), dus ook ‘formeel niet bestaande onderzoeksrapporten’.

Op 4 juni 2012 kwam het college op mijn verzoek met een besluit. Het onderzoeksrapport waar ik naar had gevraagd was een ‘ambtelijk stuk zonder formele status’ en viel derhalve niet onder artikel 169 lid 3 van de Gemeentewet. Om te voorkomen dat hierover een politieke discussie zou ontstaan, werd het onderzoeksrapport toch verstrekt. Het college koos dus bewust voor een juridische discussie en die uitdaging ging ik als jurist uiteraard met plezier en vertrouwen aan.

Het feit dat ik persoonlijk plezier beleef aan een juridische discussie is echter niet relevant. Het betreft een principieel punt dat van groot belang is voor het functioneren van de raad. Het in artikel 169 lid 3 van de Gemeentewet opgenomen recht op informatie is geformuleerd als een plicht van het college en van zijn leden om inlichtingen te geven aan de raad. De inlichtingenplicht hangt nauw samen met de verantwoordingsplicht: de raad kan immers alleen indien hij over voldoende informatie beschikt, controle uitoefenen op het door het college gevoerde bestuur. De raad kan de op hem rustende publieke plicht en verantwoordelijkheid alleen waarmaken indien hij toegang heeft tot alle relevante informatie.


In overleg met onze griffier is er een advies gevraagd aan de Vereniging van Griffiers (VvG). Dat advies is heel duidelijk: het collegestandpunt is onjuist. Op 12 juli 2012 is het advies van de VvG besproken met de commissie bestuur. In debat met wethouder Cassee heb ik gevraagd naar het standpunt van het college over het advies van de VvG. Op persoonlijke titel heeft wethouder Cassee aangegeven dat hij het niet eens is met de opvatting van de VvG, maar voegde daaraan toe dat hij vindt dat de raad recht heeft te horen wat de opvatting van het college is. Deze werd na de zomervakantie toegezegd.

Uiteindelijk ruim 11 maanden nadat deze discussie ontstond, kan het college niet anders dan op 26 februari 2013 het verlies erkennen. Het college respecteert het recht op informatie zoals verankerd in de wet en bevestigt daarmee mijn wetsuitleg en die van de VvG. Een mooie overwinning van een juristje tegen het ‘grote’ college met een ambtelijk apparaat van pakweg 1000 man groot. Misschien hadden mijn ouders toch moeten kiezen voor de naam ‘David’, hoewel Gideon het ook niet slecht deed op het slagveld!